De keuze van de in te planten soorten wordt bepaald door de beheerdoelen en
de daarvan afgeleide gewenste soorteigenschappen. De aandacht gaat in eerste instantie
uit naar de groeiplaats. Wanneer van de aangeplante boomsoorten geen houtproductie
verwacht wordt, is de geschiktheid van de bosbodem voor houtproductie niet
het meest relevante criterium bij de soortenkeuze. Boomsoorten kunnen meestal bij
een veel lagere beschikbaarheid van vocht en nutriënten als zaadboom overleven.
Vaak wordt de kwaliteit van de zandige bosbodems bij de soortenkeuze onderschat;
dit zijn niet langer de heidebodems en stuifzanden waarop het bos ooit aangelegd is.
De spontane vestiging én de goede groei van hulst, hazelaar en esdoorn laat zien dat deze
bossen na één of twee generaties pionierboomsoorten toe zijn aan een volgende stap
in hun ontwikkeling. Bovendien wordt bij de soortenkeuze vaak het grote belang van lokaal voorkomende klei-, leem- en/of kalkhoudende lagen in de ondergrond over het hoofd gezien.

Het belangrijkste bosbeheerdoel in het kader van deze beheerhandleiding is de weerbaarheid van het bos verhogen tegen dominantie door vogelkers. Dit doel is op lange termijn het best gediend met de aanplant van een zo breed mogelijk spectrum aan boom- en struiksoorten. Op middellange termijn is het effect het grootst van boomsoorten die voor veel verjonging zorgen, jong manbaar zijn en zich vlot verspreiden. Daarnaast is de bijdrage aan de houtopbrengst die van de boomsoort verwacht wordt een belangrijk criterium bij de soortkeuze. Bij houtteelt gericht op laagwaardig hout is voornamelijk de bijgroei van de soort van belang. Met de meeste opvolgersoorten is teelt van waardevol kwaliteitshout op zandgrond mogelijk indien uitgegaan wordt van een korte stam (1/4 van de verwachte boomhoogte) en een permanent volledig vrijgestelde kroon.

Ook de kwaliteit van het strooisel is een belangrijke afweging bij soortkeuze. Soorten met een goed verterend strooisel als linde, esdoorn, haagbeuk en hazelaar versnellen het bodemherstel dat – mede door de aanwezigheid van vogelkers – in onze jonge bossen op gang gekomen is.

Een laatste afweging bij de soortkeuze betreft de aantrekkelijkheid voor recreanten.
Hierbij spelen zaken als bloesem, herfstkleuren en vruchten een rol.