In de zaailingenfase is alle spontane verjonging gemengd. Hoe dicht het ‘spinaziebed’
van vogelkerszaailingen ook lijkt, er komen zaailingen van andere boomsoorten
in voor als den, lariks, berk of eik. Door deze soorten selectief vrij te stellen,
kunnen zij de open en dichte fase overleven. Door voldoende opties vrij te stellen
kunnen daaruit later de toekomstbomen geselecteerd worden. Er wordt enkel ingegrepen indien dit strikt noodzakelijk is, op het ogenblik dat het aantal kwalitatief goede exemplaren van de gewenste soorten onder de twee per are dreigt te zakken. De soortenkeuze bepaalt de intensiteit van het knippen en breken. Kiest men voor soorten met een snelle jeugdgroei als berk, esdoorn en lariks of schaduwverdragende soorten als linde, beuk, esdoorn, tamme kastanje of douglas, dan kan een minimaal ingrijpen volstaan. Kiest men voor traag groeiende en licht behoevende soorten als zomereik, dan zal intensiever vrijgesteld moeten worden.

Regelmatige controle op de verjongingseenheid is noodzakelijk. Lichte ingrepen zijn
het best tijdens de controlegang uit te voeren. Daartoe heeft de beheerder bij elke
doorgang van het bos zijn gereedschap bij zich. Eerst snoeischaar, dan takkenschaar, later rasp of schaaf om te ringen. De eerste jaren wordt er enkel geknipt met de snoeischaar.
Wanneer stammetjes of zaailingen meer dan duimdik worden, is de takkenschaar
handiger of kunnen de juvenielen gebroken worden.

Grote verjongingsgroepen zijn onoverzichtelijk en daardoor gaat veel tijd verloren aan
oriënteren en zoeken. Het maaien van verzorgingspaden om de 20 m blijkt een goed
compromis tussen verhoogde effi ciëntie en de meerkosten van het aanleggen van de
paden. Ook het tijdstip van uitvoering beïnvloedt de tijdsbesteding bij knippen en
breken. Dennen en douglassen zijn in de winter makkelijker terug te vinden dan in de
zomer. Ook zijn dichte bramenstruwelen makkelijker toegankelijk in de winter. Het
onderscheid tussen de loofb oomsoorten is daarentegen juist in de zomer gemakkelijker
te maken.

Tijdstudies van deze werkwijze zijn nog niet beschikbaar. In de Antwerpse Kempen
is de tijdbesteding bijgehouden van de vijfj arige omvorming van een ogenschijnlijke
100% vogelkersbedekking in de zaailingenfase naar een vrijwel 100% grovedennenbedekking in de dichte fase. Gemiddeld kostte het omvormen van
1 ha verjongingseenheid twee dagen per jaar. Afh ankelijk van de uitgangssituatie en
de beoogde soortensamenstelling wordt de hierboven beschreven selectieve aanpak
die streeft naar 200 opties per hectare ingeschat op 1/10 tot 1/4 van deze tijdsbesteding:
1 tot 2,5 dagen verdeeld over 5 jaren.