Een combinatie van chemische en mechanische bestrijding is het meest succesvol
gebleken in de bestrijdingsfase 193. Begonnen wordt met het doden van alle vogelkersen.
De meest toegepaste werkwijze is ‘afzagen en insmeren’: de afgezaagde stobben
van vogelkers worden ingesmeerd met glyfosaat (handelsnaam: Roundup). Bij zwaardere
vogelkersen kan het gif ook in insnijdingen in de stam ingebracht worden, de ‘hak en
spuit’-techniek. Bij gebruik van glyfosaat is het belangrijk dat er een kleurstof aan toegevoegd wordt waardoor controle op morsen mogelijk is. Soms wordt de vogelkers ook
gedood door de bladeren met gif te behandelen. Bladbehandeling moet echter zo weinig
mogelijk gebruikt worden aangezien hierbij grote hoeveelheden gif in het ecosysteem
terechtkomen en ook de overige vegetatie afsterft. Pak het jaar daarna in een
nabehandeling de vergeten vogelkersen en bomen die ondanks de chemische behandeling
toch weer uitlopen opnieuw aan en trek zaailingen uit.

Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in bosecosystemen is moeilijk te
verantwoorden gezien zijn negatieve effecten op organismen die in en op de bodem leven.
Glyfosaat is giftig voor geleedpotigen (insecten, spinnen, duizendpoten, springstaarten,
mijten, pissebedden etc) bacteriën, schimmels en protozoa 194, 195. Het gebruik van
glyfosaat kan daarom de voedselkringlopen en de bodemstructuur verstoren. Daarnaast
zijn amfibieën kwetsbaar: kikkers en salamanders hebben last van vertraagde groei,
misgroei van kop, mond, ogen en staart en schade aan DNA en chromosomen 196, 197.
Daarom gaat de voorkeur uit naar puur mechanische bestrijding 192.