Tot voor kort werd algemeen aangenomen dat de aanwezigheid van vogelkers de
soortenrijkdom in de kruidlaag verminderde. Onderzoek leek dit ook te bevestigen 18, 175.
Een Pools onderzoek liet daarentegen een positieve correlatie zien tussen de aanwezigheid van vogelkers en de soortenrijkdom in de kruidlaag 176. Recente Belgische,
Nederlandse en Franse onderzoeken lijken een oplossing te bieden voor deze tegen­
stelling 28, 98, 177. Er doet zich een verschuiving voor van soorten typisch voor lichte
bossen met zure en arme bodems als pijpenstrootje (Molinia caerulea) en struikhei,
naar schaduwtolerante bosplanten die geassocieerd worden met minder zure en
rijkere bodems als gewone salomonszegel en dalkruid 30, 178. Deze verschuiving is ook
waarneembaar in de verjonging van de boomsoorten wanneer zaadbomen van
schaduwtolerante soorten aanwezig zijn. Lichtminnende soorten als lariks en ruwe
berk verjongen moeilijker en het aandeel schaduwboomsoorten als beuk en haagbeuk
neemt toe 64.

Zowel in Vlaanderen als in Nederland is met behulp van de gegevens van de respec­tievelijke bosinventarissen de invloed van vogelkers op de kruidlaagvegetatie onder­
zocht. Uit het onderzoek in Nederland blijkt dat de gemiddelde soortenrijkdom met
en zonder vogelkers over het algemeen gelijkwaardig is 179. Wel blijkt de rijkdom aan soorten af te nemen met een toenemende bedekking door vogelkers. De veronderstel­
ling van Verheyen et al 28. dat dit veroorzaakt wordt door toenemende schaduwdruk,
wordt bevestigd in het Nederlandse onderzoek; hierin werd de invloed van vogel­
kers op de kruidige vegetatielaag vergeleken met de invloed van berk, vuilboom en
lijsterbes. Een kleinere soortenrijkdom onder vogelkers is alleen waarneembaar bij
vogelkersbedekkingen groter dan 75%. Ook hier wordt schaduw als oorzaak aangewe­zen 178. Deze schaduwdruk, veroorzaakt door een toenemende gelaagdheid in het bos,
is net als de toenemende beschikbaarheid van nutriënten en vocht, onderdeel van de
spontane bosdynamiek van pionierbos naar volwassen bos.