De Prunus serotina, wordt in Amerika Black Cherry genoemd. Het verspreidingsgebied van de soort is het grootste van de inheemse kersensoorten op het Amerikaanse continent. De soort verdraagt een breed scala aan klimaten en stelt niet veel eisen aan de bodem. Qua klimaat- en groeiplaatsomstandigheden zijn de diepe regenwatergevoede zandgronden op de westelijke rand van het Adirondacks plateau in de staat New York vergelijkbaar met de omstandigheden in Vlaanderen en Nederland. Dit gebied is een onderdeel van het Northern Hardwood Forest, en wordt dan ook gebruikt als referentiegebied voor een vergelijking met de Noordwest-Europese situatie. Dit bos is ontstaan uit verjonging na intensieve houtkap, spontane bosontwikkeling op extensief beheerde graasweiden en bosaanleg op gedegradeerde arme bodems. In de bosontwikkeling is de Black Cherry, samen met de gele berk, een van de belangrijkste pionierboomsoorten. Het zijn veelal secundaire bossen, onder andere door gerichte verjongingsmaatregelen om het aandeel vogelkers te verhogen. Bij spontane bosontwikkeling zou het aandeel vogelkers in de bosgeneratie volgend op de huidige vogelkersbossen, vrijwel nihil zijn; dit vanwege de aanwezigheid van opvolgersoorten als beuk en esdoorn. Wereldwijd is er een grote vraag naar het hout van Black Ckerry; Amerikaans kersen. In Amerika wordt dan ook actief Amerikaans kersenhout geteeld. Vanwege een verwacht tekort aan kersenhout in de nabije toekomst is de belangrijkste verwerker van vogelkersenhout in New York State, Harden Furniture, overgegaan op gerichte verjonging van vogelkers.