Het Northern Hardwood Forest wordt door ecologen gezien als een overgangsbosgemeenschap omdat het soorten bevat van de eik-bitternootbosgemeenschap (‘oak-hickory forest’) in het zuiden en het boreale bos in het noorden. De belangrijkste loofboomsoorten van deze bosgemeenschap, bekend om hun prachtige herfstkleuren, zijn suikeresdoorn (Acer saccharum), rode esdoorn (Acer rubrum), Amerikaanse beuk (Fagus grandifolia), gele berk (Betula alleghaniensis), vogelkers, Amerikaanse es (Fraxinus americana), Amerikaanse iep (Ulmus americana) en de naaldboomsoorten oostelijke hemlockspar en weymouthden 44, 45. Een inventarisatie van de oogstbare bomen rond 1800 laat in deze bosgemeenschap een aandeel van 10 tot 15% esdoorns zien. Amerikaanse beuk was de dominante boomsoort met een aandeel van 40 tot 50%. Het aandeel vogelkers lag iets onder de 1% 46. De Amerikaanse staatsbosdienst (USDA Forest Service) onderscheidt in het Northern Hardwood Forest meerdere bosgemeenschappen. In het gebied waarin de Adirondacks liggen is dit vooral de esdoorn-beuken-berkenbosgemeenschap (‘maple-beech-birch forest’) 47. Het kronendak van dit bostype wordt in zijn natuurlijke samenstelling voornamelijk gedomineerd door suikeresdoorn, rode esdoorn, Amerikaanse beuk en Amerikaanse linde. In het noordelijk areaal komen hier de oostelijke hemlockspar en de weymouthden bij. De belangrijkste pionierboomsoorten zijn de gele berk en de vogelkers.