In de 17de en 18de eeuw zijn in New England, New York State en oostelijk
Canada de oorspronkelijke bossen grotendeels gerooid. De oude dikke bomen werden
gebruikt als grond- en brandstof voor de Amerikaanse en Europese industriële
ontwikkeling in de 17de, 18de en 19de eeuw. De havens van New York en Boston waren
houtuitvoerhavens voor bevoorrading van de Europese markt. Daar waar de bossen
gekapt waren, namen veetelers de terreinen over. Ongeveer 80% van de voormalige
bossen werd als graasland voor het vee in gebruik genomen. Op de overige oppervlakte
ontwikkelde zich secundair bos. Slechts enkele stukjes oud bos is kaalkap bespaard
gebleven. In de tweede helft van de 19de en begin 20ste eeuw verplaatste de landbouw
zich echter naar de meer geschikte bodems in het centrale deel van de VS en werden
de graaslanden weer verlaten 48. De huidige samenstelling van het meestal 80 tot 120
jaar oude kronendak vertegenwoordigt de eerste successiefase van de bosontwikkeling
die na het verlaten van de graaslanden op gang kwam. Na het vertrek van de runderen
namen bomen en struiken weer bezit van de ruimte. Als zaadbronnen dienden
de resterende bossen en vooral de overal aanwezige houtwallen en houtkanten waarin
vogelkers een belangrijk aandeel had 46.

Op landschapschaal komen in dit secundaire bos alle boomsoorten van het oorspronkelijke esdoorn-beuken-berkenbos voor, zij het dat de pionierboomsoorten sterker vertegenwoordigd zijn. Bovendien verschillen deze bossen plaatselijk sterk in boomsoortensamenstelling al naar gelang de aanwezigheid van zaadbomen en de bodemrijkdom. Vooral op armere, zandige bodems nemen de pionierboomsoorten Amerikaanse ratelpopulier (Populus tremuloides), grijze berk (Betula populifolia) en vogelkers in de eerste bosgeneratie een onevenredig groot aandeel van het kronendak in.
Op de arme zandgronden in de staat New York was de vogelkers zeer succesvol in de
spontane bosontwikkeling. Plaatselijk bestaat het kronendak van de nu 80 tot 120 jaar
oude bossen vrijwel volledig uit vogelkers. Vermoedelijk is dit hoge aandeel vogelkers
in het kronendak terug te voeren op 3 oorzaken. Eenmaal aanwezig in het bos wordt de
vogelkers door vogels en zoogdieren verbreid terwijl haar belangrijkste concurrenten,
de Amerikaanse beuk en de suikeresdoorn, zich veel moeizamer verbreiden 49. Verder
is de vogelkers als bodemvage en droogtetolerante soort (zie tabel 3.13) beter toegerust
dan deze concurrenten om zich op deze arme droge bodems te vestigen 50. Tot slot
vormt het hoge aandeel vogelkers in de houtwallen en houtkanten een continu grote
zaadbron.