Niet op alle verlaten graslanden kwam de spontane bosontwikkeling even
snel op gang. Op grote oppervlaktes marginale landbouwgronden die onbeheerd
achterbleven, ontstonden zandverstuivingen. Dit geldt ook voor delen van het grote
zandterras aan de westzijde van het Adirondack-plateau. Hart Merriam schrijft hierover
in 1882: ‘De dichte bossen die vroeger dit terras bedekten zijn grotendeels vernietigd.
Het is nu een grote zandvlakte’ 51. De Soil Survey, ofwel bodeminventarisatie, uit 1954
– de laatste die voor deze bosgebieden uitgevoerd is – beschrijft de bodems als goed
gedraineerde zure bodems in grof zand 51. Deze gebieden werden in het kader van een
tewerkstellingsprogramma in de tweede helft van de jaren 1930 beplant met de inheemse
rode den ofwel ‘red pine’ (Pinus resinosa), weymouthden en struikden ofwel
‘jack pine’ (Pinus banksiana) en de voor Amerika uitheemse grove den. Deze laatste
werd, vanwege zijn hoge droogtetolerantie, vooral ingezet op de ‘blown out sands’:
zandverstuivingen waar de vruchtbare toplaag weggestoven is. In de dennenaanplanten
op zandgronden zijn soms vogelkersen meegegroeid. Daar zijn ze nu de meest
waardevolle bomen in het bos.