De belangrijkste verwerker van vogelkersenhout in New York State, Harden
Furniture, is daarom in zijn eigen 5000 ha grote boseigendom overgegaan op gerichte
verjonging van vogelkers. Deze bossen liggen overwegend op zandgronden in het
noordwesten van de Adirondacks.
Harden Furniture hanteert hierbij een groepenkap in 2 fasen. Wanneer de meeste
bomen in een (deel van een) bos de doeldiameter van 18 inch (45 cm) bereikt hebben,
vindt een verjongingskap plaats. Hierbij worden 25 tot 35 dikke, gezonde vogelkersen
per hectare als scherm gehandhaafd (25-15/acre). Deze zullen 20 jaar later geveld worden.
Om beschadiging van de jonge opstand eronder te minimaliseren, tracht Harden
Furniture bij de selectie van schermbomen deze te concentreren in rijen of groepen.
De grootte van de verjongingskap is afhankelijk van de oppervlakte waarop de bomen
kaprijp zijn. Voor een geslaagde vogelkersverjonging is een minimale grootte van de
verjongingseenheid nodig van eenmaal de boomhoogte. Dit sluit aan bij beschrijvingen
uit de literatuur 53, 54. Het handhaven van een scherm dient niet alleen voor
het uitzaaien, er gaat ook een selectie van uit. Grote kapvlaktes bevorderen de meer
lichtbehoevende pioniersoorten als dennen en berken. Kleinere gaten of een scherm
bevorderen de verjonging van pioniers die iets meer schaduw verdragen in de jeugdfase
zoals Amerikaanse eik en vogelkers 43, 55. Bij de kap worden alle bomen geoogst,
ongeacht hun stamdiameter. Vogelkersen en esdoorns die een diameter op borsthoogte
(dbh) van 25 tot 30 cm (10-12 inch) bereikt hebben, zijn bruikbaar voor de meubelfabriek.
Overige bomen en struiken, tak- en tophout worden versnipperd en gebruikt
voor de eigen energievoorziening. De kapvlakte blijft volledig opgeruimd achter.
Na 3 tot 5 jaar inventariseert de bosbeheerder de aanwezige verjonging in een zogenoemde
‘Regeneration Cruise’. Op basis van deze inventarisatie besluit hij of het noodzakelijk
is de samenstelling van de verjonging te beïnvloeden. Figuur 3.18 geeft de
resultaten van zo’n inventarisatie weer voor de opstand afgebeeld op foto 3.19. Op de
betreffende oppervlakte was het aandeel vogelkers veel te laag: 444 op een totaal van
12.416 zaailingen per acre (0,4 ha) = 3,5%. De verjonging op deze zandgrond bestond
hoofdzakelijk uit rode esdoorn en beuk.

De soortensamenstelling wordt bijgestuurd door gericht doodspuiten van de ongewenste
vegetatie. De zaailingen van ongewenste boomsoorten worden samen met
bramen en varens met Roundup doodgespoten. Boomsoorten die bij deze selectie
bevorderd worden, zijn de waardevolle vogelkers, suikeresdoorn en gele berk. Foto
3.19 toont een voorbeeld van een geslaagde verjonging van vogelkers.
20 jaar na de schermkap, wanneer de verjonging in de stakenfase verkeert, worden
de overstaanders geoogst. Na 40 à 50 jaar vindt de eerste dunning plaats waarbij alle
bomen die de doeldiameter van 45 cm bereikt hebben, geoogst worden. De daaropvolgende dunningen vinden om de 20 tot 25 jaar plaats, afhankelijk van de diktegroei. Na 80-100 jaar zal de opstand opnieuw verjongd worden. Geplant wordt er niet en selectie binnen de soort in de jonge en stakenfase vindt al helemaal niet plaats. Men werkt hier uitsluitend met het lokaal aanwezige genetische materiaal. Het resultaat van dit
beheer op arme zandgronden is, net als op de rijkere bodems van de Allegheny, het
vogelkers-esdoornbos (‘cherry-maple forest’).