Zowel de bomen geoogst uit spontane bosontwikkeling als de bomen geteeld in
dit extensieve beheer zijn zelden recht en bevatten veel noesten (zie foto’s 3.17 en 3.20).
Bovendien worden de beste en dikste (> 60 cm), noestvrije vogelkersstammen niet zelf
verwerkt maar verkocht aan de fineerindustrie of geëxporteerd naar Europa. Toch hanteert de Noordoost-Amerikaanse meubelindustrie zeer hoge houtkwaliteitseisen. Het
vogelkersenhout moet recht en volledig foutloos zijn (vooral noestvrij). De schijnbare
contradictie tussen de vraag naar een hoge houtkwaliteit en de acceptatie van relatief
geringe stamkwaliteit ligt in de wijze waarop de stammen verwerkt worden.
Bij de beoordeling van de bruikbaarheid van rondhout lijkt men in eerste instantie
minder kritisch. De stammen worden immers gekort om grote takaanzetten en kromme
delen te verwijderen. Hierbij wordt een minimale lengte van 2 voet (60 cm) aangehouden.
Daarna wordt het hout verzaagd tot ruwe planken. Nadat deze in de oven
gedroogd zijn, worden delen met spinthout, noesten of ‘gumspots’, gomuitvloeiingen,
afgezaagd. De foutloze planken van verschillende breedte en lengte gaan de verdere
verwerking in. Nadat de planken op maat, tekening en kleur geselecteerd zijn voor de
betreffende toepassing worden ze verlijmd tot balkjes of panelen. Verlijmd hout heeft
naast de grotere afmetingen vooral het voordeel dat het minder werkt.