De vogelkers verdraagt een breed scala aan klimaten: van zeer warm tot koel, van zeer veel tot zeer weinig neerslag. Zij komt voor in alle Noord-Amerikaanse klimaatzones, met uitzondering van de boreale zone. Ook aan de bodem stelt zij niet veel eisen, al neemt de productiviteit snel af op erg droge of te natte bodems. Ondanks deze bodemvaagheid zijn de meeste bodems waarop vogelkers groeit sterk zuur, relatief onvruchtbaar en hebben een grove textuur en een lage kationenuitwisselingscapaciteit (CEC) 38.

De vogelkers komt voor in vrijwel alle bosgemeenschappen van de oostelijke helft van het Amerikaanse continent. Van de subtropische Caribische dennenbossen in Florida, de zeer droge eiken-dennenbossen in Missouri en de zeer vochtige noordelijke loofbossen in de Appalachen tot in de bijna-boreale bossen met weymouthden (Pinus strobus) en oostelijke hemlockspar (Tsuga canadensis) in Maine. Toch onderscheidenecologen slechts één bostype waarin vogelkers een groot aandeel heeft: de door de mens gecreëerde vogelkers-esdoornbosgemeenschap (‘cherry-maple forest’) (zie ook vogelkers in de bosontwikkeling). Dit bostype komt in de VS vooral voor in de omgeving van de grote meren; in Canada in de aansluitende gebieden Zuid-Ontario en Zuid-Québec. Kerngebied van deze bosgemeenschap is het Allegheny-gebergte in de staten Pennsylvania en West Virginia, ten zuidoosten van het Eriemeer. Een gebied met een koel, vochtig en gematigd klimaat. Hier kent de vogelkers haar optimale groei.

Het leeuwendeel van de beschikbare kennis over de rol van vogelkers in bosecosystemen en over de mogelijkheden met deze boomsoort hout te produceren, gaat over situaties in dit Allegheny-gebergte. De groeiplaatsen in de Alleghenies verschillen echter in een aantal opzichten van de bossen met een hoog aandeel vogelkers in het Noordwest-Europese laagland. Opvallend is een hogere zomertemperatuur en lagere wintertemperatuur, bij een vergelijkbaar gemiddelde. Daarnaast ligt de gemiddelde neerslaghoeveelheid van 970 tot 1120 mm hiermee zo’n 200 mm per jaar hoger dan op de meeste Vlaamse en Nederlandse groeiplaatsen. Ook de bodems van de Alleghenies zijn beduidend leemhoudender dan de zandgronden waarop vogelkers in Europa het meest voorkomt.

Op zoek naar groeiplaatsen van vogelkers die vergelijkbaar zijn met onze regenwatergevoede zandgronden lijkt één gebied in de VS eruit te springen: de diepe, regenwatergevoede zandgronden in de staat New York ten oosten van de Black River op de westelijke rand van het Adirondacks-plateau. Net als in onze dekzandgebieden komen hier veel podzolen voor. Klimaatgegevens van het Noordwest-Europese laagland en deze laaggelegen rand van de Adirondacks, daar waar de meeste zandbodems voorkomen, komen sterk overeen. De hoeveelheid en de spreiding van de neerslag zijn vergelijkbaar, namelijk zo’n 750 tot 950 mm per jaar. Ook de gemiddelde jaartemperatuur is vergelijkbaar, zij het dat in de staat New York de winters kouder en de zomers warmer zijn, met een hogere verdamping in het groeiseizoen tot gevolg. De USDA Forest Service heeft het voorkomen van de vogelkers in de bossen van de VS uitgezet tegen de gemiddelde jaartemperatuur en de gemiddelde jaarlijkse neerslag. Onze bossen bevinden zich – met een gemiddelde jaartemperatuur van 9 °C en een gemiddelde jaarneerslag van 750 tot 950 mm – volgens deze gegevens in het bereik van Amerikaanse bossen met veel vogelkers. Gezien de klimaat- en groeiplaatsovereenkomsten gebruiken we in deze beheerhandleiding de diepe zandgronden van het westelijke Adirondack-plateau als referentiegebied voor een vergelijking met de Noorwest-Europese situatie. Uit de literatuur blijken ook de zandgebieden van het aansluitende deel van het Canadese Ontario en Québec voor vergelijking in aanmerking te komen 43. Deze bosgebieden in New York, Ontario en Québec maken onderdeel uit van het Northern Hardwood Forest.