Acceptatie van de aanwezigheid van vogelkers leidt in onbeheerde bossen
(natuurbossen) op lange termijn meestal tot een afname van de populatie vogelkers (59). De snelheid van die afname en het tijdstip waarop de vogelkers een boom in de marge wordt, zijn afhankelijk van de uitgangssituatie; dit hangt voornamelijk af van de aanwezigheid van opvolgersoorten en van de graasdruk. Er valt nog veel te leren over de spontane ontwikkeling van bossen waarin vogelkers voorkomt. Deze kennis kunnen we vergroten door het accepteren van vogelkers in verschillende bostypen in afwezigheid van, of met verschillende mate aan, begeleidend beheer. Voorbeelden hiervan zijn het ‘prunusbosje’ in Kessel bij Lier, het vogelkersreservaat bij Norg en het bosreservaat Ossenbos op de Veluwe.

Bij spontane ontwikkeling wordt verwacht dat opvolgersoorten zoals linde, beuk,
esdoorn, tamme kastanje en hazelaar zich op korte of langere termijn zullen vestigen.
De afstand tot zaadbomen en de aanwezigheid van zaadverbreiders zullen in sterke
mate de bosontwikkeling sturen. De snelheid van de ontwikkeling kunnen we beïnvloeden
door het planten of uitzaaien van ontbrekende soorten.