Vogelkers kan zich sterk uitbreiden in bossen waar veel zaadbomen aanwezig zijn en permanent of regelmatig voldoende licht op de bosbodem valt voor vestiging van zaailingen. De bossen waar vogelkers een sluitende struiklaag vormt liggen vooral op diepe, regenwatergevoede zandgronden. Veelal eerste of tweede generatie heide- en stuifzandbebossingen met een beperkt aantal inheemse zaadbomen, voornamelijk eik en berk. Door het handhaven van monoculturen van den in een kaalkapbeheer herhaalde deze situatie zich de afgelopen halve eeuw steeds weer; verdere ontwikkeling van het ecosysteem kreeg geen kans. Door de introductie van langere omlopen en een gevarieerder bosbeheer is deze vicieuze cirkel doorbroken; bossen zijn gemengder en gelaagder geworden. Toch ligt het aandeel vogelkers in multifunctioneel beheerde bossen nog steeds ver boven wat van een pionier in een volwassen bos verwacht kan worden. Vogelkers blijkt een pionier onder de pioniers te zijn. Door het ontbreken van opvolgersoorten kunnen bossen de stap naar een volgende successiefase moeilijk zetten.

Meer over dit onderwerp hier.