Vogelkers kan zich sterk uitbreiden in bossen waar veel zaadbomen aanwezig
zijn en permanent of regelmatig voldoende licht op de bosbodem valt voor vestiging
van zaailingen. De vogelkers benut deze ruimte en versnelt zo de bossuccessie. Bij
haar afwezigheid nemen vuilboom, lijsterbes en de gewone vogelkers deze rol van
aanjager van de bosdynamiek op zich maar dan minder snel en meestal minder intensief
(zie Bossuccessie. De bossen waar vogelkers een sluitende struiklaag vormt, liggen
vooral op diepe, regenwatergevoede zandgronden. Veelal zijn dit eerste of tweede
generatie heide- en stuifzandbebossingen met een beperkt aantal inheemse zaadbomen,
voornamelijk eik en berk. Met het ouder worden, vanaf de late stakenfase, valt
voldoende licht op de bosbodem voor het vestigen van berk, lijsterbes en vogelkers.
Vogelkers, net iets schaduwtoleranter in haar jeugd, profiteert hier het meest van.

Door het handhaven van monoculturen van den in een kaalkapbeheer herhaalde
deze situatie zich de afgelopen halve eeuw steeds weer. Het kronendak van de jonge
opstanden werd lichter en een explosie van vogelkersverjonging volgde. Verdere ontwikkeling van het bosecosysteem kreeg door het kaalkapbeheer in korte omloop geen
kans. Deze vicieuze cirkel is door de introductie van langere omlopen en een gevarieerder
bosbeheer, doorbroken. Bossen zijn gemengder en vooral gelaagder geworden.
De situatie dat op grote schaal gelijktijdig voldoende licht op de bosbodem valt voor
verjonging van vogelkers doet zich vrijwel niet meer voor. Hoge vogelkersbedekkingen
zijn daar waar deze ontwikkeling doorgevoerd is, een kleinschalig en plaatselijk
verschijnsel geworden.

Toch ligt het aandeel vogelkers in multifunctioneel beheerde bossen nog steeds ver
boven wat van een pionier in een volwassen bos verwacht kan worden. Nader beschouwd
blijkt vogelkers in deze bossen met den, eik en berk nog vaak een pionier onder de pioniers te zijn. Veel bossen kunnen de volgende stap naar een toenemend aandeel opvolgersoorten in het kronendak slechts moeizaam of helemaal niet zetten. De oorzaak hiervan ligt in het ontbreken van zaadbomen die zich slechts langzaam verbreiden en daarbij bovendien door bosversnippering geremd worden. Afgelopen decennia deed zich in het bosbeheer bovendien een tendens voor waarbij naar ‘licht bos’ gestreefd werd. Hierbij kreeg de verbreiding van opvolge rsoorten door middel van termen als ‘verbeuking’ en ‘veresdoorning’ een slechte naam.