De verhouding tussen boomsoorten op de verjongingseenheid in de jonge fase wordt gestuurd door een aantal factoren; te weten de hoeveelheid licht in de onderetage; de zaaddruk van de aanwezige soorten en de graasdruk.

De hoeveelheid licht die een boom nodig heeft, ofwel de schaduwtolerantie, is afhankelijk van de soort en wordt uitgedrukt in een percentage van het volle daglicht. Afhankelijk van het percentage licht dat op de bodem valt, wijzigt de kansrijkdom van de verschillende soorten om te overleven, te verjongen en zich te vestigen. Door de combinatie van boomsoorten en hoeveelheid licht ontstaat er steeds een verschillende soortensamenstelling.

De zaaddruk, het aanbod aan zaad van een soort, bepaalt mede de kans dat een boomsoort zich op een verjongingseenheid vestigt. Dit wordt weer bepaald door de aanwezige bomen in de opstand. Naast het feit dat de bomen aanwezig moeten zijn, moeten deze ook vruchtbaar zaad kunnen vormen. De leeftijd waarop dit gebeurt, verschilt per soort; bij vogelkers is dat al rond 20 jaar terwijl dit bij eiken pas gebeurt als ze 70 jaar oud zijn. Zaaddruk wordt ook bepaald door de mogelijkheid van zaadverbreiding van een soort. We onderscheiden verbreiding via de wind­ (berk en den) of door dieren (eik, kers, beuk) waarbij windverbreiders op korte termijn een grote impact hebben op de samenstelling en dynamiek op de verjongingsplek.

Een laatste factor die meespeelt bij de verhouding van boomsoorten is de graasdruk. Het is gebleken dat zaailingen van eik, lijsterbes en berk meer aangevreten worden dan die van vogelkers. Waardoor bij een hogere graasdruk, zoals het geval is de afgelopen jaren in Nederland en België, de vogelkers in het voordeel is, omdat deze relatief minder aangevreten wordt.

Bij het sluiten van het kronendak begint de lichtconcurrentie tussen de boompjes, zowel binnen de soort als tussen de soorten. In concurrentie met lichtboomsoorten in de dichte- en stakenfase groeit vogelkers minder snel dan berk en den maar overleeft wel. In concurrentie met opvolgersoorten in de dichte- en stakenfase overleeft de vogelkers alleen in voldoende lichte situaties door haar snelle jeugdgroei. Concurrentie in de boomfase komt omdat de schaduwtolerantie van vogelkers afneemt met de leeftijd. Na 50-60 jaar beschaduwen andere boomsoorten haar kroon. Door de korte levensduur is dominantie op de lange termijn uitgesloten in bossen waar ook andere boomsoorten zich kunnen verjongen.