In de dichte fase en stakenfase bepalen de soortgebonden schaduwtolerantie en de
hoeveelheid beschikbaar licht in de onderetage de concurrentieverhouding tussen de
soorten op de verjongingseenheid. De snelle jeugdgroei bezorgt de vogelkers bij
voldoende licht een concurrentievoordeel over de meeste schaduwtolerante soorten 56.
Deze opvolgersoorten verschillen sterk in jeugdgroei. De esdoorn houdt op zandbodems
tot 5 à 6 m hoogte de grove den bij, net als de vogelkers. Beuk en linde zijn langzamer. Wanneer zij samen met vogelkers opgroeien, blijven zij weliswaar achter in hoogtegroei
maar houden vaak stand en vormen een tweede etage in de verjongingseenheid.

Boom- en struiksoorten uit de esdoorn- en de lindegroep vormen een tweede etage
onder de vogelkers. In menging met schaduwboomsoorten overleeft
de vogelkers de concurrentie alleen in voldoende lichte situaties waar zij haar snelle
jeugdgroei kan uitspelen 77. In een verjongingseenheid onder schaduwdruk groeit
vogelkers langzamer dan de opvolgersoorten 38. In loofbossen verliest de vogelkers
de concurrentie in een gat in het kronendak, ontstaan door het wegvallen van een
enkele kroon 38. Oogst van individuele bomen leidt bij aanwezigheid van opvolgersoorten
dan ook zelden tot vogelkers in het kronendak 38. In vol daglicht groeit zij in
de jonge fase, dichte fase en stakenfase, tot in de boomfase sneller dan schaduwtolerante
soorten als esdoorn en beuk. Op de verjongingseenheid ontstaat zo een gelaagd
kronendak gedomineerd door vogelkers, berk en den met daaronder esdoorn
en beuk.