Voldoende licht in de onderetage is niet de enige voorwaarde voor het overleven
van een kiemplant. Zodra de eerste bladeren van de vogelkers ontluiken, zijn zij
voedsel voor allerlei kleine en grote grazers. Konijnen (Oryctolagus cuniculus), bosmuizen
en houtduiven (Columba palumbus) eten zaailingen 27, 36, 94, 97, 112. Naar hoeveelheid
gegeten kiemplanten en zaailingen zijn edelhert (Cervus elaphus) en ree de belangrijkste
grazers in onze bossen. Uit praktijkwaarnemingen en onderzoek blijkt dat in lichte
bossen zaailingen van inheemse boomsoorten zich vestigen samen met vogelkers,
ook bij een hoge zaaddruk van vogelkers 34. Selectieve vraat van voornamelijk reeën
benadeelt echter de overlevingskans van inheems loofhout. Voor alle grazers geldt een
afkeer van vogelkers en grove den 34, 113. Ook wanneer deze twee soorten gelijk verdeeld
met eik, lijsterbes en berk op de verjongingseenheid voorkomen, worden kiemplanten
en zaailingen van eik, lijsterbes en berk meer aangevreten 114, 115. Meer nog dan andere
grazers heeft de ree behoefte aan variatie in het voedsel. Weinig voorkomende zaailingen
worden daarom als eerste gegeten. Een enkele berk, lijsterbes of eik in massale
verjonging van vogelkers verdwijnt daardoor. Op deze manier verhoogt begrazing het aandeel vogelkers in de verjonging. Zo ook in het oosten van de VS 57, 113, 116. Zowel op
kapvlaktes na dunning als onder gesloten kronendak neemt bij een toenemende begrazingsdruk het aandeel vogelkers in de verjonging toe. De vogelkers wordt bij hoge wilddruk ook sterk aangevreten maar minder dan de andere boomsoorten 113. Het massale verjongingssucces van vogelkers in Nederland en Vlaanderen is mede het gevolg van een hoge graasdruk. De dichtheid aan grazers in bossen is de afgelopen decennia sterk
toegenomen.

In de Berlijnse bossen wordt het vreemde verschijnsel waargenomen dat in hondenlosloopgebieden het aandeel vogelkers in de verjonging kleiner is dan in opstanden
waar honden aan de lijn blijven. De waarschijnlijke verklaring hiervoor ligt in de angst
van reeën voor honden waardoor zij zich veel minder vaak in de hondenlosloopgebieden
ophouden. Hierdoor worden soorten als eik en berk in deze gebieden minder
aangevreten en kunnen zij dus beter concurreren met vogelkers 118.