De hoeveelheid benodigd licht, de schaduwtolerantie, is afhankelijk van de
soort en wordt meestal uitgedrukt in een percentage van het volle daglicht 52. Boomen
struiksoorten zijn te groeperen naar lichtbehoefte om in de onderetage te overleven,
geordend naar afnemende lichtbehoefte (zie tabel 4.8).
Na kap of windworp van boomgroepen valt 25-100% van het daglicht op de bosbodem,
afhankelijk van de grootte van het gat in het kronendak. In dergelijke gaten kunnen
soorten uit alle groepen, ook uit de dennengroep, zich verjongen. Door de verschillen
in groeisnelheid ontstaat na enkele jaren een differentiatie: lariks en berk groeien het
hardst, dan volgt vogelkers terwijl grove den achterblijft (zie foto 4.12). Voor een goede
groei heeft de vogelkers behoefte aan een gat in het kronendak van eenmaal de boomhoogte 77. Zij heeft hier voldoende licht voor een snelle jeugdgroei van 0,5 m per jaar 32. Wanneer in de onderetage van een bos minder dan 25% van het daglicht aanwezig
is, verjongen de soorten van de dennengroep zich nauwelijks of niet. Deze grote lichtbehoefte verklaart de noodzaak van grotere verjongingseenheden bij het verjongen
van grove den. In volwassen, structuurarme grove den-, lariks- en eikopstanden is – afhankelijk van het dunningsregime – 10 tot 25% van het daglicht in de onderetage aanwezig. Onder dergelijke omstandigheden kan vogelkers als zaailing en als struik in de onderetage overleven, evenals de andere soorten uit de eikengroep zoals zomereik, lijsterbes en vuilboom. Wanneer zaadbomen uit de esdoorngroep en de lindegroep aanwezig zijn, verjongen ook deze soorten zich. De meer schaduwtolerante lindes, esdoorns en beuken nemen hier een snelle groeivoorsprong op de vogelkers aangezien de lichthoeveelheid hier ver boven hun minimale lichtbehoefte ligt. In concurrentie met
schaduwtolerante soorten verliest de vogelkers. Vogelkers kan op verjongingseenheden
alleen dominant zijn als er voldoende licht is voor een snelle jeugdgroei 38. Een
Canadees onderzoek laat zien dat het uitvallen van de beuk ten gevolge van de ‘beech
bark disease’, leidt tot een sterke toename van het aandeel vogelkers in het Northern
Hardwood Forest 110. In structuurrijke, gelaagde dennen- en eikenbossen of in open beukenbossen is minder dan 10% van het daglicht aanwezig. Vogelkerszaailingen overleven hier een jaar of 5. De soorten uit de esdoorn- en de lindegroep vestigen zich hier probleemloos en kunnen doorgroeien naar het kronendak. In gesloten bossen die hoofdzakelijk bestaan uit deze soorten kan de vogelkers wel kiemen maar de kiemplant sterft binnen 2 jaar af door lichtgebrek.