Het aanbod aan zaad van een soort, de zaaddruk, bepaalt mede de kans dat
een boomsoort zich op een verjongingseenheid vestigt. In eerste instantie bepalen de
aanwezige bomen in de opstand dit zaadaanbod. Uitzonderingen daarop zijn windverspreiders met licht zaad als berk en den. In de onderetage, daar waar het zaad valt is meestal weinig licht aanwezig. Opvolgersoorten als beuk, linde en esdoorn lossen dit
probleem op door in de schaduw op te groeien. Pioniersoorten als den, berk en vogelkers
kunnen dit niet. Zij vestigen zich door gebruik te maken van de zeldzame momenten
dat er licht op de bosbodem valt. De aanwezigheid alleen van boomsoorten is echter
niet voldoende, de bomen moeten ook vruchtbaar zaad vormen, manbaar zijn. Zoals
uit tabel 4.10 blijkt, varieert dit per soort. In het bos loopt dit uiteen van 20 jaar voor
vogelkers en zoete kers tot 70 jaar voor beide inheemse eiken en beuk. Dit betekent dat
ook jonge kersen reeds mede de verjonging bepalen. Manbare bomen produceren niet
elk jaar evenveel zaad. Boomsoorten kennen mastjaren, jaren waarin ze veel zaad produceren. De eiken en de beuk doen dat om de paar jaar terwijl esdoorn, ratelpopulier,
ruwe berk, winterlinde, zoete kers en vogelkers dat vrijwel ieder jaar doen. Zaaddruk wordt echter niet alleen door boomsoorten in de opstand bepaald. Wind en
dieren zorgen voor zaadverbreiding. De gaai (Garrulus glandarius) kan eikels kilometers
ver verbreiden; de vos doet hetzelfde met kersenpitten. De wind vervoert berkenen
dennenzaad over grote afstanden. Op korte termijn hebben alleen deze windverbreiders
een grote impact op de samenstelling en de dynamiek op de verjongingsplek.
Boomsoorten waarvan de zaden door dieren verbreid worden, zoals de vogelkers, beuk
of tamme kastanje moeten eerst ter plaatse een zaadboom vestigen. In de volgende
generatie kunnen zij dan een grotere impact hebben op de ontwikkeling van de verjongingseenheid. In de bossen waarin vogelkers als een probleem wordt ervaren staan
echter zelden zaadproducerende individuen van opvolgersoorten. De afwezigheid van
schaduwtolerante zaadbomen en –struiken is in combinatie met het beschikbare licht
de meest verklarende factor voor de dominantie van vogelkers in de ondergroei 34.