Verjonging van bomen en struiken onder vogelkers wordt hoofdzakelijk gestuurd door licht/schaduw, de zaaddruk en de graasdruk.

In de dichte fase werpt vogelkers veel schaduw op de bosbodem. Het ontbreken van voldoende daglicht is de belangrijkste reden waarom lichtboomsoorten als grove den en eik zich slechts zelden onder vogelkers verjongen. Alleen schaduwtolerante soorten maken een kans. Het ontbreken van opvolgersoorten komt door het ontbreken van zaadbomen, de zaaddruk van opvolgersoorten is laag. Een hogere graasdruk zorgt verder voor een sterkere positie van vogelkerszaailingen omdat deze minder gegeten worden.

Door het rijkere strooisel van vogelkers zijn bosbodems onder vogelkers vaak rijker dan die onder grove den of eik. Dit komt door een intensieve doorworteling en de mogelijkheid om leem-en/of kalkhoudende lagen te ontsluiten. Het strooisel van de vogelkers is daarnaast talrijk en goed afbreekbaar en basenrijk. Het strooisel bevat ook relatief veel stikstof.

Er zijn aanwijzingen dat vogelkers zich slecht verjongt onder vogelkers; de verklaring hiervoor is mogelijk de aanwezigheid van schimmels van de Pythium-familie.