De vogelkers produceert in haar oorspronkelijke verspreidingsgebied niet ieder jaar evenveel zaad. Ook in Noordwest-Europa is er variatie in zaadvorming. Deze is voornamelijk afhankelijk van de weersomstandigheden tijdens de bloei in mei; op koude, vochtige dagen, als insecten minder actief zijn, en bij late voorjaarsvorst, zal er minder vruchtzetting plaatsvinden. Door deze afhankelijkheid van het weer in mei lijkt het erop dat vogelkers een regelmatiger zaadzetting heeft in ons gematigd zeeklimaat met zachter voorjaarsweer dan in het meer continentale klimaat uit het oorspronkelijke verspreidingsgebied, met frequente voorjaarsvorst.

De zaadverbreiding van de vogelkers gebeurt vleks-en sprongsgewijs. 95% van het zaad valt binnen 5-10m van de zaadboom; dit zijn pitten van door vogels gegeten kersen en ongegeten kersen. Kleine knaagdieren verplaatsen een deel van deze pitten over korte afstanden. Verbreiding over grote afstanden vindt plaats door zoogdieren zoals wild zwijn, vos, ree, boommarter etc. Vogelkers vormt een kortlevende zaadbank. De meerderheid van het zaad kiemt in de eerste twee jaar maar het zaad kan 3 tot 5 jaar kiemkrachtig blijven. Voor een succesvolle kieming heeft het zaad geen licht nodig, wel minstens vier maanden vochtige en zuurstofrijke omstandigheden. Bij uitdroging kiemt het zaad niet meer, en datzelfde geldt als de zaden enkele maanden te nat zijn geweest. Voor een succesvolle vestiging en overleving van de zaailingen in de zaailingbank is wel licht nodig, en relatief veel licht. Bij weinig licht (tot 10%) kunnen de zaailingen wel overleven, in afwachting van de juiste hoeveelheid licht om zich te vestigen. Bij meer dan 10% licht kan de zaailing doorgroeien tot een struik. De opbouw van een struiklaag vindt plaats in bossen waarin langdurig meer dan 10% van het daglicht aanwezig is. Soms, bij onvoldoende licht, kan de zaailing of struik overleven doordat de bovenkant doodgaat, en de onderkant uitschiet; totdat er voldoende licht is om weer volledig op te schieten.