Vogelkers vormt een kortlevende zaadbank 81, 82. De meerderheid van het zaad
kiemt in de eerste twee jaren 83-85, maar kan 3 tot 5 jaar kiemkrachtig blijven, vergelijkbaar met het zaad van de grove den (zie tabel 4.10), tenminste, als het voor die tijd niet gegeten wordt. Een belangrijk aandeel dient als voedsel. Knaagdieren, hoofdzakelijk
bosmuizen (Apodemus sylvaticus), eten de zaden leeg 36, 85 waarbij het erop lijkt dat er
meer zaden gegeten worden bij een dunne strooisellaag 80 en bij de aanwezigheid van
een varen- of struiklaag 36, 80, 86, 87. Ook de fazant (Phasianus colchicus) en de boomklever (Sitta europaea) slagen erin om de inhoud van de pit te eten. Daarnaast beschadigen de kersenpitkever (Furcipus rectirostris) 36, 78, 88, 89 en de boorvlieg (Rhagoletis cingulata) 90, 91 het zaad waardoor het zijn kiemkracht verliest. Op vochtige plaatsen tasten schimmels een aanzienlijk deel van het zaad aan 36.