Wanneer het beschikbare licht meer is dan 10% van het daglicht, kan de zaailing
doorgroeien tot een struik die 20 jaar wordt, in uitzonderlijke gevallen zelfs 60
jaar 18, 106. Bij lagere lichthoeveelheden valt de hoogtegroei vrijwel stil, tot enkele cm
per jaar 32. Terwijl zaailingen bij voldoende licht een halve meter per jaar groeien, zijn
10-jarige struiken onder gesloten scherm soms slechts 40 cm hoog 32.
De opbouw van een struiklaag vindt plaats in bossen waarin langdurig meer dan 10%
van het daglicht aanwezig is. Dit is een situatie die zich voordoet onder lichtboomsoorten.
In Noordwest-Europa zijn dit onder andere dennen-, lariks- en eikenbossen.
In Oost-Canada zijn dit pionierbossen op verlaten landbouwgronden waarin het kronendak hoofdzakelijk gevormd wordt door de grijze berk en de Amerikaanse ratelpopulier 49, 82. In meer structuurrijke bossen en bossen waarin opvolgersoorten het
kronendak vormen, is te weinig licht in de onderetage aanwezig voor een struiklaag.
Ook wanneer deze onderdrukte boompjes meer licht krijgen, groeien zij langzamer
dan boompjes opgegroeid in vol daglicht 53, 77.
De langdurige aanwezigheid van een traag groeiende struiklaag, ook wel struikenbank
genoemd in analogie met een zaailingenbank, is bij meerdere boomsoorten bekend,
zoals beuk, gewone esdoorn, es en lijsterbes. Silvertown en Charlesworth 107 noemen
deze onderdrukte struiken ‘Oskars’, naar de hoofdpersoon Oskar in Die Blechtrommel van
Günter Grass. In dit boek besluit Oskar op driejarige leeftijd te stoppen met groeien.