De verbreiding van de vogelkers gebeurt niet regelmatig maar vleks- en
sprongsgewijze. Uitbreiding van de populatie gaat vaak gepaard met nieuwe vestigingen
op grote afstand. Zo’n 95% van het zaad valt binnen 5-10 m van de zaadboom 78.
Dit zijn pitten van door vogels gegeten kersen en kersen die ongegeten op de bosbodem
vallen. Kleine zaadetende knaagdieren en voorjaarsmestkevers (Trypocopris
vernalis) verplaatsen een deel van deze pitten over korte afstanden 36. In de directe
nabijheid van volwassen zaadbomen liggen gemiddeld 200 vruchten per m2 33, 79.
Zaadverbreiding door vogels in een gesloten bosbestand gaat meestal niet verder dan
25 m. Enkele zaden worden tot 100 m ver verbreid. Buiten bosverband zijn deze waarden
100 m, respectievelijk 300 m 33, 36, 61, 74. Vogels verbreiden zaden via hun uitwerpselen
en door uitbraken 80. In Duitsland werden in de krop van een houtduif 303 zaden
gevonden. Mogelijkerwijze verbreiden ook trekvogels zaden van de vogelkers 19, 36. De maximale verbreidingsafstand door trekvogels wordt op 30 km voor braaksel en 60 km
voor uitwerpselen geschat 36. Verbreiding over grote afstand vindt echter voornamelijk
plaats door zoogdieren als wild zwijn (Sus scrofa), ree (Capreolus capreolus), vos,
das (Meles meles), boommarter (Martes martes), steenmarter (Martes foina), bunzing
(Mustela putorius) en egel (Erinaceus europaeus) 18, 77. Vossen kunnen grote afstanden
afleggen, maar halen het merendeel van hun voedsel uit het eigen territorium dat een
doorsnede heeft van 1 tot 3 km. In Noord-Frankrijk werden tot 143 zaden in een vossenuitwerpsel gevonden 36. Vossen braken zaden vaak weer uit na het verteren van het
vruchtvlees 36.