De paradoxale situatie dat een pionierboomsoort als vogelkers dominant kan
zijn in bossen, wordt verklaard door het feit dat de meeste boomsoorten in deze bossen
(den, eik, berk en lariks) een nog meer uitgesproken pionierkarakter hebben. De
vogelkers kan zich daardoor in deze bossen als een ‘climaxsoort’ gedragen. Wanneer
het bos langdurig opengehouden wordt, ontstaat er bij afwezigheid van opvolgersoorten
een tijdelijke ‘climax’ met vogelkers. De vogelkers profiteert als het ware van een
geblokkeerde bosontwikkeling. Geblokkeerd vanwege de afwezigheid van opvolgersoorten.
Er is dan ook sprake van een schijnclimax, en geleidelijk aan zal het aandeel
eik, berk en lijsterbes toenemen ten koste van het aandeel vogelkers 59. Ook de
opvolgersoorten zullen het bos bereiken. Een hoge graasdruk kan deze vogelkersfase
evenwel lang rekken.