Maar hoe zit het nu met die bedreiging van de biodiversiteit? Voor heiden, graslanden en halfopen vegetaties in de duinen is dit vrij eenduidig. De licht- en warmteminnende doelsoorten die hier als gewenste soortensamenstelling gekozen zijn, gaan achteruit bij successie naar bosecosystemen waaraan de vogelkers bijdraagt. Voor het object van deze beheerhandleiding, het bos, ligt dit iets ingewikkelder. Oude, weinig verstoorde bossen worden beschreven als de meest complexe en soortenrijke ecosystemen op aarde. Een doorgaande successie in onze jonge bossen is dus gewenst. Een soort als de vogelkers die daaraan bijdraagt, zou welkom kunnen zijn. Deze voorstelling is echter iets te eenvoudig. De eerste of tweede generatie dennen-berken-eikenbossen kunnen zich niet naar meer complexe loofbossen ontwikkelen omdat de zaadbronnen van de meeste loofbomen doorgaans ontbreken. In het versnipperde landschap kan het lang duren voor de eerste opvolgersoorten zich vestigen en het monopolie van de vogelkers doorbreken. Daarnaast is een complex bosecosysteem, rijk aan boom- en struiksoorten, dikwijls niet het beheerdoel omdat de beheerder de houtproductie met grove den wil voortzetten of omdat deze ervoor kiest de huidige aanwezigheid van lichtminnende soorten, grotendeels restanten van het voormalige heidebeheer, in stand te houden.