De introductiegeschiedenis van Amerikaanse vogelkers gaat ver terug. De soort is in de zeventiende eeuw in Europa geïntroduceerd. Hij werd onder meer aangeplant in enkele botanische tuinen en vanwege de houtproductie als onderdeel van experimenten met exotische boomsoorten. Later werd de vogelkers gebruikt als begeleidende boomsoort, meestal met dennen, bij de herbebossingen van woeste gronden en heiden. Vanaf 1920 is het gebruik van de soort bij bosaanleg algemeen. In de vijftiger jaren van de twintigste eeuw kwam de opvatting naar voren dat vogelkers bestreden diende te worden. In de bosverjonging had men veel hinder van de zaailingen. Deze negatieve perceptie zorgde tevens voor de opvatting, zowel bij bosbouwers als natuurbeheerders, dat aanwezigheid van vogelkers een negatieve impact had op de biodiversiteit. Een wetenschappelijke onderbouwing hiervoor ontbrak. Later komt enige nuance in dit negatieve beeld maar deze verdwijnt weer even snel door het subsidiëren van vogelkersbestrijding door de overheid, de bestrijding intensiveert. Op dit moment heeft de vogelkers zich een plaats veroverd in de Noordwest-Europese flora en is volledig ingeburgerd. Ecologisch basisonderzoek van de laatste jaren geeft aanleiding om onze omgang met vogelkers opnieuw te overdenken.