In de vijftiger jaren van de vorige eeuw kwam in bosbouwkringen de opvatting naar voren dat de vogelkers bestreden diende te worden. Vooral na kaalkap ondervond men in de bosverjonging veel last van de vogelkers. Dit leidde tot de eerste grote bestrijdingsgolf, en uit deze periode stamt ook de aanduiding ‘bospest’ voor vogelkers. Deze negatieve perceptie van de vogelkers, ontstaan in de houtteelt, werd later kritiekloos overgenomen door natuurbeschermers. Onder invloed van de toenemende aandacht voor natuurbescherming in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, ontwikkelden bos- en natuurbeheerders de opvatting dat de aanwezigheid van de vogelkers in bosecosystemen een negatieve impact had op de biodiversiteit 16, 17. Gezien het ontbreken van wetenschappelijke onderbouwing, lijkt dit meer een rechtvaardiging voor het gekozen beheer. Of zoals Starfinger het uitdrukt: ‘Stellingname voor of tegen deacceptatie van de vogelkers wordt meer bepaald door politieke keuzes dan door ecologische argumenten’ 18.