Door grote veranderingen in de landbouw, onder andere door de introductie van kunstmest, werden heiden en stuifzanden als onproductieve gronden gezien. Om deze te benutten, werden grote oppervlakten heide en stuifzand bebost, meestal met dennen. Het eerste bekende gebruik van de vogelkers als begeleidende boomsoort – een soort die kwalitatief of kwantitatief bijdraagt aan de groei van de hoofdboomsoort – bij deze herbebossing in Europa vond in 1898 plaats in Nederland: in het Mastbos bij Breda onder leiding van Van Schermbeek. Hij plantte de vogelkers niet alleen in loofhoutsingels tussen de naaldhoutopstanden, maar ook als vulhout gemengd met de hoofdboomsoort, 7-9. Ook in België werd de vogelkers in de eerste helft van de vorige eeuw gebruikt bij het vastleggen van landduinen en het bebossen van heiden 10. Vanaf 1920 is het gebruik van vogelkers bij bosaanleg algemeen, 11, 12. Naast het gebruik in loofhoutsingels en als vulhout werd vogelkers, zowel in België als in Nederland, veelvuldig aangeplant of ingezaaid in bestaande opstanden 13, 14. Een bosbeheerder schreef in 1930, met een vooruitziende blik, dat: ‘het eeuwig voortbestaan van de soort en de voortdurende bescherming van de bodem gegarandeerd zijn 15.