De industriële revolutie zorgde vanaf het eind van de achttiende eeuw voor een snel stijgende houtbehoefte. In de tweede helft van de negentiende eeuw geeft onder andere de ‘houtnood’ in Duitsland, België en Nederland een sterke impuls aan het gebruik van exotische houtsoorten. Tholen schreef over een aantal exoten waaronder vogelkers, als bomen ‘ waarvan het gebruik minder bekend is in ons vaderland, maar die om schoonheid of deugdzaamheid van hun hout, die bekendheid verdienen’. Slechts enkele Europese experimenten met de vogelkers zijn gedocumenteerd. Het Pruisische onderzoeksinstituut voor de bosbouw te Eberswalde plantte in 1890 47 exotische boomsoorten aan uit gebieden met een gematigd klimaat; de vogelkers werd in dit kader in 11 boswachterijen in het huidige Duitsland geplant 5. Het merendeel van de exotische boomsoorten viel af en in 1918 werd van slechts 12 exotische boomsoorten nog een zinvolle bijdrage aan de houtproductie verwacht, waaronder de vogelkers 6. Bij Jülich in Duitsland staat nog een restant van dit onderzoek. Van deze soorten worden vooral die met een hoge houtproductie nu op grote schaal in de bosbouw gebruikt zoals douglas (Pseudotsuga menziesii), Japanse lariks (Larix kaempferi) en Amerikaanse eik (Quercus rubra). Soorten die waardevol hout leveren maar in kleinere hoeveelheden, zijn afgevallen; naast de vogelkers zijn dat bijvoorbeeld de zwarte walnoot (Juglans nigra) en de hickorynoot (Carya ovata).