Het bosbeheer in de dennenbossen heeft er de afgelopen eeuw voor gezorgd dat de vogelkers zich steeds weer in grote hoeveelheden kon vestigen. Wanneer deze opstanden opnieuw verjongd worden met grove den, wordt dit lichte opstandtype in een pionierstadium gehouden waarin de vogelkers het goed doet. Ook het vroegere kaalkapsysteem stimuleerde de uitbreiding van de vogelkers. Tijdens de korte omloop van de dennenbossen, 40 tot 60 jaar, ontstond geen structuur in het bos die voor meer schaduw op de bosbodem zou kunnen zorgen. De alomtegenwoordigheid van aangeplante vogelkerszaadbomen in kronendak en windsingels, zorgde na kaalkap voor een explosie aan zaailingen. In de jaren 1980 werden de korte omlopen in de dennenteelt verlaten. Nu wordt er steeds verder doorgedund. De toegenomen ouderdom en openheid van de opstanden geven de ontwikkeling van struiken en kleine bomen een kans waardoor de uitbreidingsmogelijkheid van vogelkers afneemt. Het bestrijden van de vogelkers wordt in deze structuurrijke bossen echter moeilijker. De ervaring leert dat hoe zorgvuldig het bestrijden van vogelkers ook uitgevoerd wordt, er toch steeds exemplaren vergeten worden. Dit geldt vooral voor vogelkersen die niet aan de verwachte struikvorm voldoen: zaailingen en grotere bomen. Naarmate de gelaagdheid van het bos toeneemt en het aandeel vogelkers daarin afneemt, is het steeds moeilijker om de bomen te vinden. Bovendien neemt dan het gevoel van urgentie af. Bij het idee dat het probleem onder controle is, gaat de aandacht uit naar andere beslommeringen, met als gevolg dat de noodzakelijke controle en nazorg worden nagelaten. Ook door een regelmatige wisseling van beheerders – elk met hun eigen, persoonlijke voorkeuren – kan een gebrek aan controle en nazorg ontstaan. Dit is vooral funest wanneer het terugdringen van de vogelkers niet gepaard gaat met de noodzakelijke bosomvorming die hervestiging van de vogelkers kan voorkomen.