Na de bijdrage van vogelkers aan de herbebossing in Nederland en Vlaanderen werd zij een lastige plaagsoort en bemoeilijkte, net als inheems loofhout als berk, de verjonging van grove den. Met de opkomst van geïntegreerd bosbeheer hoefde de berk niet meer bestreden te worden; echter de vogelkers, als exoot nog steeds. Nu ook houtteelt, naast natuur en recreatie, weer belangrijker wordt, wordt er meer nagedacht over kwaliteit en kwantiteit van verjonging, selectie en vrijstellen. Het opstandgerichte beheer wordt meer en meer vervangen door boomgericht bosbeheer, met als voorbeeld de Duitse QD methode. Vogelkers hoeft geen bedreiging te zijn in boomgericht bosbeheer, gericht op de verjonging van lichtboomsoorten. In boomgericht bosbeheer, gericht op de omvorming naar gemengd loofbos kan vogelkers een dominante positie innemen omdat haar inheemse concurrenten (beuk, linde, esdoorn etc) ontbreken. Bij de omvorming van dennenbos naar gemengd loofbos kan een hoge vogelkersbedekking een voordeel zijn. Lichtboomsoorten kunnen zich nog niet vestigen maar deze situatie geeft wel de ideale vestigingsomstandigheden voor opvolgersoorten.

Bosbouwers in het noordoosten van de VS zien de vogelkers als doelsoort. Noordwest Europese bosbouwers zien de vogelkers als een obstakel bij hun werkzaamheden. Indien vogelkers ook hier als doelsoort gezien wordt is de belangrijkste houtteeltkundige vraag welke diameters en welke houtkwaliteiten op regenwatergevoede zandgronden bereikbaar zijn.