Nadat de vogelkers haar bijdrage aan de herbebossing in Nederland en Vlaanderen
geleverd had, werd zij een lastige plaagsoort bij de houtproductie in dezelfde
bossen (11, 160). Om dit te begrijpen moeten we ons verplaatsen in de toen gangbare bosbouwpraktijken. Bosbouwers op de arme zandgronden dachten veelal in gelijkjarige
monoculturen. Het toenmalige houtteeltconcept was gericht op het produceren van
veel gelijkwaardig hout met één boomsoort, meestal grove den, in een korte omloop,
vaak onderplant en onderzaaid met vogelkers. Na 40 tot 60 jaar werd de opstand kaalgeslagen en opnieuw ingeplant. Het zaad van de vogelkersen in de opstand en in de
loofhoutsingels eromheen kwam massaal op tussen het plantsoen en nam de plaats in
van de aangeplante soort. Dit loofhoutprobleem was voor de bosbouwers niet nieuw;
met name de berk kreeg door dit verschijnsel een slechte naam. Berk en vogelkers
namen ruimte in waar den of lariks had kunnen staan. Bestrijden van ‘hinderlijk
loofhout’ was dan ook een vast onderdeel van het bosbeheer. Vogelkers werd net als de
berk een te bestrijden soort.

Met de komst van het geïntegreerd bosbeheer eind vorige eeuw hebben beheerders
deze bosbouwopvattingen achter zich gelaten. Het bosbeheer richtte zich vooral op
menging van boomsoorten en een structuurrijk bos. Door de aandacht te richten op
toekomstbomen kwam er meer ruimte in het bos en in het bosbeheer voor begeleidende
boomsoorten als berk en lijsterbes.

De berk hoefde dan ook niet meer bestreden te worden. Maar de vogelkers wel. De reden
daarvoor lag ook hier weer besloten in het gehanteerde bosbouwkundig concept.
Bosbeheerders waren vooral bezig met de verhoging van de natuurwaarde van bossen.
De gelijksoortige naaldbossen moesten zo snel mogelijk gemengde inheemse loofbossen
worden. En dat door middel van natuurlijke verjonging onder scherm en na kap
van kleine groepen. Omstandigheden waaronder de schaduwtolerantie van de zaailingen
in sterke mate het succes van de verjonging bepaalt. En laat de vogelkers nu net
iets schaduwtoleranter zijn dan den, berk en eik. Voor veel boseigenaren
en –beheerders was houtproductie een ondergeschikt beheerdoel, en werd beheer
vooral gericht op natuur en recreatie, daarbij gestimuleerd door overheidssubsidies.