Hinder bij de verjonging van dennenbossen – daarmee begon het slechte
imago van vogelkers. Hinder bij het ontwikkelen van inheems loofbos bevestigde
die slechte naam. In het boomgericht bosbeheer hoeft vogelkers geen bedreiging te
zijn voor de verjonging van lichtboomsoorten. Verreweg de efficiëntste omgang met
vogelkers is deze meenemen in de menging zo lang zij de gewenste boomsoorten niet
wegconcurreert.

Aangezien de selectie van toekomstbomen in het boomgericht bosbeheer reeds op
jonge leeftijd plaatsvindt (berk en lariks bij 12 tot 15 jaar, den bij 18 tot 22 jaar), is de periode waarin vogelkers een geslaagde verjonging van lichtboomsoorten
kan verhinderen beperkt. Kwaliteitsvolle verjonging van grove den, lariks en berk
gebeurt in groepenkap van minimaal 1 à 2 maal de boomhoogte. Op droge zandgronden
is de grove den door zijn grotere droogtetolerantie bevoordeeld ten opzichte van
vogelkers, berk en lariks. Uit de onderlinge concurrentieverhouding tussen
den, lariks, berk en vogelkers bij vol daglicht blijkt dat in de stakenfase vogelkers
achterblijft bij lariks, berk en grove den. Zij vormt dan een tweede boomlaag onder de
kronen van deze andere soorten.

Reeds in de dichte fase groeien lariks en berk de vogelkers voorbij. Grove
den is een tragere starter en heeft enkele jaren meer nodig voordat hij de vogelkers
inhaalt en voorbijsteekt. In de zaailingenfase echter, de eerste twee jaren, neemt vogelkers
een groeivoorsprong op de drie andere soorten. Deze zaailingenfase is dan ook de meest kritische fase voor verjonging van lichtboomsoorten in aanwezigheid van
vogelkersverjonging. Wanneer de dichtheid aan vogelkerszaailingen zo hoog is dat
deze binnen 2 jaar vlakdekkend in sluiting komen, overschaduwen zij de langzamer
groeiende zaailingen van den, berk en lariks waardoor deze afsterven. Deze situatie is
te verwachten als er vóór de groepenkap veel zaadbomen aanwezig zijn. Een gerichte
positieve selectie, het plaatselijk vrijstellen van gewenste zaailingen, kan dit probleem
verhelpen (zie ‘Sturen in soortensamenstelling en kwaliteit‘). Tegen de tijd dat de verjonging in de dichte fase komt, hebben lariks en berk de vogelkers ingehaald. Door vrijstellen van enkele grove dennen per are kan de beheerder met lichte ingrepen sturen in de boomsoortensamenstelling. Wanneer eenmaal de toekomstbomen geselecteerd zijn, speelt de onderlinge concurrentie tussen de soorten geen rol meer. Indien het behoud van het lichte karakter van het bos vooropstaat, verdient het de voorkeur alleen  lichtboomsoorten als toekomstbomen aan te wijzen: zij zullen het zaad leveren voor de volgende generatie.