Een hoge vogelkersbedekking kan bij omvorming van dennenbos naar gemengd loofbos een voordeel zijn bij het uitzaaien door, of aanplanten van, loofboomsoorten. Wanneer de lichtboomsoorten den, berk, lijsterbes en vogelkers zich door lichtgebrek nog niet hebben kunnen vestigen en op de bosbodem onder invloed van het strooisel van de vogelkers nog slechts een dunne strooisellaag ligt, doen zich de ideale vestigingsomstandigheden voor opvolgersoorten voor. Meestal echter ontbreken de zaadbomen van beuk, linde, esdoorn, tamme kastanje en hazelaar. Aanplant kan dan de natuurlijke ontwikkeling versnellen. Onder de dubbele boomlaag van hoofdboomsoort en vogelkers is al voldoende licht aanwezig voor de aanplant van opvolgersoorten voordat verjonging van vogelkers, lijsterbes, vuilboom, douglas of Amerikaanse eik overleeft. Wanneer het de bedoeling is de hoofdboomsoort en de vogelkers in de toekomst te oogsten, is het aan te bevelen de opvolgersoorten in groepen te planten zodat er voldoende ruimte overblijft voor de bosexploitatie (zie ‘Sturen in soortensamenstelling en kwaliteit‘). De meeste vogelkers die we onder deze omstandigheden aantreffen, vertoont een kwarrige groei en vormt een parapluvormige kroon. Deze is veroorzaakt door een vrij gesloten kronendak. Onder licht scherm of in gaten in het kronendak komen ook goede stamvormen voor. Wanneer deze bomen tijdig vrijgesteld worden, kunnen zij kwaliteitshout leveren (zie ‘Teelt Amerikaans kersen‘).